Alweer vroeg op, ik ga op den duur nog een ochtendmens worden. Om kwart over acht zijn we gepakt en gezakt onderweg naar onze volgende bestemming: het noordoosten van Botswana, tegen de grens met Namibië en Zimbabwe.
We kunnen kiezen uit twee routes: 640 km en 7 uur rijden, of 310 km en bijna 11 uur rijden. We kiezen voor het eerste. De weg vinden is geen probleem: altijd rechtdoor, en halfweg eens naar links.

Na een uurtje rijden komen we opnieuw aan een checkpoint. Dit keer moeten we door een waterbak rijden en dan doet een agent ons met een handgebaar stoppen. Verder geen boe of ba. Ik met mijn vriendelijkste glimlach aan die man gevraagd: ‘what do we have to do?’ waarop hij me met een totaal lege blik aanstaart: hij begrijpt duidelijk geen woord Engels. Ok, gebaren en mimiek dan maar: geloof me, er is een zeer groot mimespeler aan mij verloren gegaan! Uiteindelijk wordt duidelijk wat we moeten doen vooraleer we mogen verder rijden: we moeten met onze schoenen op een natte dweil gaan staan???!! Een of ander ontsmettingsmiddel? Geen idee. Nadat we dat zonder lachen gedaan hebben (er wordt hier niet gelachen met gezagsdragers, dat is duidelijk) kunnen we weer verder.
Op slag is duidelijk dat we in een natuurgebied zitten: de koeien, ezels, paarden, geiten en schapen die zo talrijk onze wegen kruisten, worden vervangen door olifanten, giraffen, gemsen, zebra’s, struisvogels en een occasionele gier. En beetje surrealistisch toch!


Een andere bezienswaardigheid langs de weg zijn de vele autowrakken. Wie een ongeluk gehad heeft, laat zijn auto gewoon staan. Wegslepen zal wel veel te duur zijn, zeker. Het levert alleszins wel wat ‘wegkunst’ op.


In het stadje Nata zijn we ongeveer halfweg: tijd om te tanken en een plaspauze te houden. Opnieuw redelijk hilarisch: de toiletten zijn ok, met een echte wc-juffrouw, maar bij het binnengaan zegt ze me: We don’t have water inside, we use the buckets to flush. En inderdaad, binnen in de damestoiletten staan een rij enorme emmers met water gevuld: iedereen neemt er zo een mee in zijn kotje en spoelt zo door. Wie de emmers weer bijvult is me een raadsel.
We proberen aan wat mondvoorraad te geraken in de plaatselijke supermarkt, maar veel meer dan water en wat chips vinden we niet. Geen nood, we hebben nog wat kaas en gerookt vlees, verhongeren zullen we niet.
En dan weer door: de weg is behoorlijk goed tot er ineens een bordje staat: ‘potholes ahead’. Wat dan volgt, lijkt slapstick. De snelheid valt terug tot een vlotte 9 per uur, en alle auto’s slalommen tussen de putten dat het een lust is. Links van de weg, rechts van de weg, midden op de weg of gewoon ernaast, iedereen probeert zijn auto zonder kleerscheuren aan de overkant van het hindernissenparcours te krijgen. En 500 m verder: gewoon goede baan, alsof er niets is gebeurd!
Uiteindelijk komen we rond half vijf aan in Chobe Big Five Lodge. De receptionist heeft er duidelijk niet zoveel zin in – daar hebben ze in Botswana wel eens meer last van – maar we krijgen onze kamer (opnieuw een minihuisje) met goede bedden, muggennetten en alles wat we verder nodig hebben. De lodge is prachtig gelegen aan de Chobe, een brede rivier, een natuurlijke grens met Namibië aan de overkant.

Morgen doen we een daguitstap naar de Vic Falls, zoals ze hier liefkozend genoemd worden. En dat betekent: alweer heel vroeg op!!
Een toffe reis vol verrassingen en uitdagingen! We kijken uit naar de foto’s!