De traditionele maaltijd gisterenavond was verrassend lekker en onverwacht licht: we kregen een groente-juliennesoepje en een risotto met pompoen en kip. Het heeft gesmaakt!



Vanmorgen hebben we even overlegd wat we zouden doen: Fagaras of Rupea. De keuze viel op een bezoek aan het fort van Rupea. We waren daar gisteren even langs geweest om boodschappen te doen en hadden de imposante burcht boven op de heuvel zien liggen.

Boodschappen doen is hier niet altijd evident. Van Barcuţ naar Rupea is zo’n dikke 50 km, dus niet echt handig als je even een kleinigheid vergeten bent. Er rijden gelukkig wel kruideniers van dorp tot dorp om wat te bevoorraden, en verder heeft iedereen zo’n beetje een eigen moestuin en wat kippen.
Onderweg lijkt het vandaag wel ‘dieren-op-straatdag’: op enkele km komen we eerst drie schapen tegen die op wandel zijn, daarna een kudde koeien die rustig van de berm staan te eten, en tenslotte nog wat varkens die ons verbaasd aanstaren, midden op straat. Tel daar nog wat herdershonden bij die verondersteld worden een kudde schapen of koeien in het oog te houden, en je begrijpt dat autorijden toch wel wat concentratie vereist.
Rupea is een provinciestadje: niet echt groot, maar wel heel levendig. We parkeren ons pal in het centrum en lopen eerst wat rond op het marktje. De kersen zien er heerlijk uit, maar aangezien we geen internetontvangst hadden en de vertaalapp dus niet werkte, was het onbegonnen werk om uit te leggen dat we geen hele kilo wilden. Volgende keer dan maar. Het is het eerste stadje waar zowaar wat kleine winkeltjes zijn, al zijn de etalages of reclameborden soms echt wel grappig.


In het centrum is een ouderwets park met bloemperken, wat bomen en bankjes waar we picknicken. Als we daarna een koffie gaan drinken op een terrasje zien we dat het parkje ‘Parcul Danny Huwé’ heet, naar de Belgische journalist die ten tijde van de opstand tegen Ceaucesku werd vermoord.

Op naar het fort op de heuveltop. Het ziet er behoorlijk hoog uit, maar dapper als we zijn, vertrekken we te voet. Er staat een pijl naar het ‘cetatea pietonal’ (zeg maar, het voetpad naar de burcht), die ons naar een rij steile trappen voert en uitkomt op de straat. Het grootste eind van de weg leggen we dus af onder de brandende zon via een smal voetpad naast de autobaan. Niet direct wat we van een voetpad hadden verwacht.
Het kasteel op zich is wel de moeite. Dertig jaar geleden was het een ruïne, maar met vereende krachten – en zonder twijfel heel veel geld- werd het gerestaureerd. De website beweert dat er maandelijks 10 000 bezoekers over de vloer komen, niet slecht dus als inkomen voor de gemeente.





Het kasteel is de moeite, maar het uitzicht daarboven is het nog veel meer. En zeggen dat wij helemaal van beneden gekomen zijn.




Bij het terugkeren vinden we dan toch een wandelpad dat ons toch gedeeltelijk van de weg houdt. We worden omringd door een kleurenpracht van wilde bloemen. Dat is trouwens overal langs de weg het geval, het lijkt alsof ze overal een bloemenweide hebben gezaaid.






Roemenen zijn niet alleen trots op hun bijzondere bermbloemenpracht, ook op hun typische bouwstijl zijn ze fier. Zo vinden we een bord met richtlijnen van de overheid met hoe huizen wel (da) of niet (nu) moeten worden gerestaureerd. Misschien een ideetje voor in België?
